22-12-12

Piet-er principe

Doorbraak.be - 22 december 2012

Wat heeft een vergeten Vlaamse schrijver (Piet van Aken) gemeen met het wereldberoemde Peter-principe uit de organisatiekunde? Of nog: herlees sommige vergeten Vlaamse schrijvers toch nog maar eens.


Piet van Aken (1920-1984) is vandaag zo goed als vergeten in Vlaanderen. Reden genoeg voor mij om het werk van deze sociaal geëngageerde schrijver uit de Rupelstreek van onder het stof te halen. Bezoeken aan enkele tweedehandsboekenwinkels leverden een bescheiden oogst op. Ik kom er nog wel eens uitgebreider op terug maar nu toch al een snelle gedachte.

Meerdere passage uit zijn boek ‘Het Begeren’ (1952) zijn het overdenken waard. Zeker ook de volgende – hier een beetje gemanipuleerd weergegeven door de weglatingen - trok m’n aandacht: “dat een man altijd zijn zinnen zet op iets dat onbereikbaar is. Op een inzet, die te hoog is voor de kaarten die hij in zijn handen houdt. (…) Het baat niet te schreeuwen dat de kaarten niet eerlijk werden verdeeld. Het baat niet dat je wild wordt en je kaarten wegsmijt. Je moet ze uitspelen voor wat ze waard zijn. En als de inzet te hoog gaat, moet je passen. Dat zou je moeten doen, maar je doet het niet. (…) je klampt je altijd vast aan de hoop, dat (…) iemand een aas in je handen zal stoppen. Je moest beter weten doch je vertikt het en je ploetert al maar dieper en dieper in de narigheid en tenslotte kan je nog slechts wild worden en de hemel op je donder krijgen. En dan kan je als een afgezweepte hond in een hoek kruipen en daar liggen janken en jezelf suf piekeren over het feit dat je het ál aan jezelf te danken hebt. Dat je altijd geweten hebt dat het niet in je kaarten zat (…) en dat je te dom geweest bent en dat je jezelf in slaap gedaan hebt en dat je al die tijd geweten hebt dat je eenmaal wakker zou worden met je hoofd vol builen."

Het is een bedenking die bij deze kortste dag van het jaar past, zeker als het zou gaan over een onvermijdelijke lotsbestemming van ons handelen. Maar misschien is het allemaal minder fatalistisch te lezen en leren we er uit dat we dat risico lopen maar kunnen vermijden door er aandacht voor op te brengen? Het lijkt me een bron voor enkele diepere gedachten. Misschien ook voor een later moment.

Bij het lezen moest ik in elk geval spontaan denken aan het ‘Peter-principe’, een beginsel waarin ik om voor de hand liggende redenen altijd bijzonder belang heb gesteld. Volgens Wikipedia gaat het over “een wet op het gebied van de organisatiekunde geformuleerd door dr. Laurence J. Peter, die beoogt een verklaring te geven voor het slechte functioneren van veel organisaties. Hoewel de ‘wet’ met een korrel zout genomen dient te worden, is ze niet van alle realiteit ontbloot.” De internet-encyclopedie beschrijft de wet verder als: “In een hiërarchie stijgt elke werknemer tot zijn niveau van incompetentie. (In het oorspronkelijke Engels: In a hierarchy every employee tends to rise to his level of incompetence.)”

Kort samengevat: mensen promoveren zo lang ze hun taak goed uitvoeren en blijven ‘hangen’ op het eerste niveau dat ze niet meer aankunnen. Daaruit volgt logischerwijze dat iedereen eindigt in een functie waarvoor men ongeschikt is. Uiteraard kan en werd er kritiek gegeven op dat Peter-principe maar het kreeg toch wereldwijde aandacht nadat Laurence J. Peter het lanceerde.

De theorie van het Peter-principe dateert van 1969. Zeventien jaar eerder beschreef een 32-jarige schrijver aan de oever van de kleine Rupel het fenomeen in een intussen volledig vergeten roman.

Horen we vanaf nu te spreken over het ‘Piet-er principe’? Och, de gedachte is ook terug te vinden in oudere romans en bij filosofen uit vroegere tijden. Interessant is wel de vaststelling dat zogenaamd gedateerde literatuur minder gedateerd is dan graag wordt aangenomen; en dat ook zogenaamde streekgeboden literatuur inzicht kan geven in algemeen menselijke fenomenen.

 

Commentaren

Wat men nu het Peter Principle noemt zou beter het Clausewitzprincipe heten: Wir müssen immer wieder darauf zurückkommen, daß nichts gewöhnlicher ist als Beispiele von Männern, die ihre Tätigkeit verlieren, sobald sie zu höheren Stellen gelangen, denen ihre Einsichten nicht mehr gewachsen sind; […].

Vom Kriege, 1832, 1853
Hinterlassenes Werk des Generals Carl von Clausewitz
Erster Teil, Zweites Buch
2000, Cormoran Verlag, München, SS. 77-8

Gepost door: victacausa | 22-12-12

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.