08-12-12

Nieuwe zak van oud jute

1 maart 2011 – nooit gepubliceerd (voor zo ver ik kan nagaan)

Welke toekomst is er voor Brussel weggelegd als België blijft bestaan?


Het zowel in De Standaard als Le Soir verschenen opiniestuk ‘pas en notre nom!’ heeft voor nogal wat ophef gezorgd. Het was ondertekend door acht vooraanstaande Franstalige opinievormers, verscheen in een Vlaamse én Franstalig-Brusselse krant en werd op de voorpagina aangekondigd onder de kop “Franstaligen, kom uit de loopgraven”.

Daarmee was de toon gezet. Vooraanstaande Franstalige denkers verzetten zich tegen het politieke immobilisme (geen nieuws) en richten zich daarbij op de verantwoordelijkheid van hun politici (wel nieuws). Dat ze die “verkrampt immobilisme en kortzichtigheid” verwijten, klonk als muziek in Vlaamse oren, want is dat niet wat hen aan deze zijde van de taalgrens ook wordt verweten?

De eerste reacties die ik op facebook las bij Vlaamsgezinden klonken erg hoopvol. “Hebben ze het eindelijk begrepen” kan de teneur worden samengevat. De vraag die na lezing van het stuk bij mij opkwam: hebben de lezers de tekst wel begrepen?

De auteurs schrijven dat hun tekst gericht is “tegen het communautarisme van een deel van de Franstalige politiek”. Mijn aandacht was meteen gewekt. Wat denken Van Parijs en co. over de filosofische school van mensen als Alasdair MacIntyre, Michael Walzer, Charles Taylor of Amitai Etzioni? Zij zijn – samengevat – van mening dat de mens schatplichtig is in z’n denken aan de gemeenschap waarin hij leeft. Zij ontkennen niet het individuele element maar beklemtonen het maatschappelijke kader waarbinnen onze waarden en normen gevormd worden.

Geen woord echter over die filosofische school. Vertalen blijkt ook hier weer verschralen. Onze gemeenschappen heten in het Frans “les communautés” en de gewesten “les régions”. Ze hebben het dus over politici die denken in termen van gemeenschappen. Hier komt de oude discussie weer boven water, die ook de huidige onderhandelingen zwaar hypothekeert. De Vlamingen koppelen Brussel via de gemeenschappen (met o.m. onderwijs en cultuur, waar ook Vlaanderen in Brussel bevoegd is); de Franstaligen kiezen van oudsher voor de gewesten (met drie dus, waarbij Brussel los staat van Vlaanderen). Dus is de tekst onderhuids wel degelijk gericht tegen de klassieke Vlaamse benadering.

Van Parijs en co. willen gewoon een volwaardig Brussels gewest en schenken dus oude wijn in een nieuwe zak. Ze gaan daar erg ver in – en veel verder dan Vande Lanotte in zijn pleidooi voor vier deelstaten – want willen ook onderwijs en cultuur ‘regionaliseren’, lees naar Brussel overhevelen.

Wat is er nieuw aan de zak? Zij leggen in tegenstelling tot de old school-FDF’ers minder klemtoon op de taal. Logisch, want deze verstandige mensen zien dat Brussel geen dominant Franstalig gewest meer is en evolueert naar meertaligheid. Ze willen Vlaanderen uit Brussel (zoals het FDF), maar niet het Nederlands. Wat vroeger Brusselse Vlamingen waren, worden nu Nederlandstalige Brusselaars.

Het is dan ook logisch dat zij het belang van de territorialiteit beklemtonen. Ze vinden het “terecht dat van mensen die zich duurzaam in Vlaanderen of Wallonië vestigen verwacht wordt dat ze de moed en nederigheid hebben om de officiële taal van hun gewest te leren.” Dat klinkt vernieuwend uit Franstalige hoek, want is dat niet de Vlaamse thesis?

Van Parijs en co. beseffen natuurlijk ook de contradictie tussen de pleidooien voor gewesten (met afgebakend grondgebied) en rechten voor Franstaligen in Vlaanderen (gebonden aan de personen). Vandaar dat Van Parijs – ook al eerder – de oude slogan van de Vlaamse Beweging in de mond neemt: faciliteiten zijn stommiteiten.

Maar echt rechtlijnig is het verhaal toch niet. In de Zevende Dag gaf Van Parijs op mijn aandringen toe dat een aantal of zelfs alle zes faciliteitengemeenten best worden aangehecht bij Brussel, om pas daarna de territorialiteit echt te laten spelen. Zijn argument botst met de rest van de boodschap: hij telt het aantal Franstaligen in die gemeenten en gaat dan zo weer de toer van de talentelling op. Desgevraagd blijkt de nieuwe zak toch deels van oud jute gemaakt te zijn en zit er een stevig imperialistisch angeltje aan het ‘frisse’ voorstel.

Vlaamse gemeenten waar Franstaligen zich wel hebben aangepast – zoals Van Parijs en co. vragen – blijven Vlaams; waar ze dat weigeren worden ze beloond met grensaanpassingen. Weerbarstigheid loont.

Doet een beetje denken aan de kettingroker die zegt: “Nog één pakje en dan hou ik er mee op”. We weten dat die mensen zelden bij hun goede voornemen blijven en snel weer naar het verslavende stokje grijpen. Als de ‘sociologische’ realiteit binnen enkele jaren in andere Vlaamse gemeenten Franstalige meerderheden oplevert, komen zij dan als volgende in aanmerking voor annexatie?

Van de indruk die is ontstaan, dat de auteurs van deze opiniebijdrage echt nieuwe paden bewandelen, blijft na grondige lezing weinig over.

Tot slot weze aangestipt dat het gelanceerde idee niet zonder gevaar is voor België. De uitbouw op basis van strikt afgebakende deelstaten, snijdt de Belgische taart keurig voor. De stukken kunnen dan des te gemakkelijker op verschillende borden gelegd worden. Het argument dat Vlaanderen zonder België Brussel verliest, wordt nog verder uitgehold. Want dit voorstel zorgt er voor dat Vlaanderen Brussel mét België zeker kwijtspeelt.

Er zijn zeker aanhangers van Vlaamse onafhankelijkheid die in stilte hopen dat het voorstel van de acht Franstalige denkers wordt uitgevoerd.

De commentaren zijn gesloten.