19-09-12

Vlaamse identiteit: een hersenspinsel?

Doorbraak webstek – maart 2011

Voor De Morgen schreef Peter De Roover op 21 maart 2011 een opiniestuk over de vraag wat Vlaamse identiteit dan wel mag zijn en gaf een beknopt deel van een antwoord, binnen het bestek van een krantenartikel. Na onderling overleg werd beslist de tekst niet af te drukken, omdat dringende actuele geberutenissen voor vertraging hadden gezorgd.


De taal is niet gans het volk, weten Jan Goossens, Bernard Foccroulle en Frie Leysen in een bijdrage (voor De Morgen) waarin ze steun geven aan Erwin Mortiers pleidooi voor een federaal cultureel niveau. Dit debat kan kort gehouden worden. De taal is niet gans het volk. Punt aan de lijn. Culturele samenwerking over de (taal)grenzen heen is niet alleen nuttig, maar noodzakelijk. Die bestaat uiteraard vandaag al veelvuldig; ook tussen Nederlands- en Franstaligen, al mogen we hopen dat iedereen inziet dat de Belgische afbakening even beperkend werkt als andere begrenzingen. Een complexloze culturele samenwerking tussen de Belgische gemeenschappen wordt spijtig genoeg gehypothekeerd door de dikwijls al dan niet onderhuidse neiging bij Franstaligen om via die weg de grondwettelijk vastgelegde taalgrens in vraag te stellen. Een minder politieke benadering van cultuurpolitiek van de zijde van de Franstaligen zou meteen heel wat meer mogelijk maken.

Een reactie op het stuk op het onlineforum van lezer Jan Stevens trok mijn aandacht. “Wat betekent ‘Vlaming zijn’ nu meer of minder dan op het grondgebied van Vlaanderen te wonen? Wilt u me dat aub eens uitleggen?” Zo schuiven we van de pragmatische vaststelling dat taal niet gans het volk is, naar de bewering dat taal geen enkele rol zou spelen in de persoonlijke identiteitsvorming. Ik wil de vraagsteller graag op z’n wenken bedienen.

Niemands identiteit kan beperkt worden tot de (sub)nationale aanhorigheid. Alsof alles zou gezegd zijn met de vaststelling dat ik Vlaming ben. Daarnaast ben ik ook leraar, man, vader, fietser en zoveel meer. Misschien kan persoonlijke identiteit wel bepaald worden als het unieke kruispunt van de groepen waar men (al dan niet vrij gekozen) toe behoort. De combinatie “in Vlaanderen leven” en “zich bedienen van de Nederlandse taal” omvat uiteraard niet de hele persoonlijke identiteit. Maar wie ontkent dat die twee elementen een belangrijk deel van die identiteit bepalen, is ziende blind.

Eenvoudig verwoord: was ik in Thessaloniki geboren en niet in Turnhout, dan zou ik vandaag een heel ander mens zijn. De kans dat ik Lanoye zou lezen, was dan veel kleiner dan nu. Het oeuvre van Sperantza Vrana is me nu totaal onbekend, wat niet het geval was geweest indien mijn wieg in Thessaloniki had gestaan. Is iemand minder Vlaming omdat hij Vrana wel leest? Natuurlijk niet, maar het is een feitelijke vaststelling dat hij/zij op dat punt een atypische Vlaming is.

Natuurlijk bepalen Nathalie Meskens, Willem Ellschot, Jan Decleir, Etienne Vermeersch, Caroline Gennez, Helmut Lotti, Jan Leyers, Wannes Van de Velde, Guy Mortier, Stijn Coninx, Yves Desmet, Paul Van Ostayen, Dirk Frimout, Sabine Hagedoren of Jan Goossens in beslissende mate mee mijn persoonlijke identiteit. Voor Rachida Lamrabet geldt dat evenzeer, omdat zij in het Nederlands schrijft. En op zijn manier doet Abou Jahjah dat ook, omdat hij in Vlaanderen woonde.

Wees gerust, zij zijn niet de enigen. Hun taal, mijn taal, is niet gans het volk. Maar hun rol is groter dan die van hun Deense, Spaanse, Pakistaanse, Keniaanse of Waalse alter ego’s. Na het lezen van ‘De informanten’ van Juan Gabriel Vasquez is mijn denken en dus mijn persoonlijke identiteit weer een beetje anders geworden. Maar daarmee heb ik alle Colombianen opgesomd die daar een invloed op hebben uitgeoefend en zijn boek moest daartoe wel eerst in het Nederlands vertaald worden.

Wat is het krampachtigst? Er van uitgaan dat mijn identiteit uitsluitend bepaald wordt door mijn Nederlandstalig Vlaming zijn of beweren dat die toevalligheid absoluut niet heeft bijgedragen tot de vorming van mijn persoonlijkheid?

Of we het graag hebben of niet, maar er bestaat wel degelijk zo iets als een specifieke gemeenschappelijke Vlaamse identiteit, die overigens meer inhoudt dan de taal. Die vertaalt zich bij iedereen anders en in andere verhoudingen. Die gemeenschappelijke bron leidt er gelukkig niet toe dat we uitwisselbare klonen van elkaar zouden zijn. Maar daardoor bestaat er wel zoiets als een gemiddelde Vlaming, die anders is dan de gemiddelde Waal of Ier. Zo bestaat er ook een Europese identiteit, waardoor die Waal of Ier gemiddeld weer dichter bij ons staat dan een Chileen of een Thai. Met hen delen we dan weer algemene menselijke kenmerken. En ja, ik ben ook Antwerpenaar.

Onze identiteit is gelaagd, maar de Vlaamse en Nederlandstalige laag is daarbij niet de minst belangrijke. Om die reden reageer ik hier op Jan Stevens en laat ik Bohrturms kijk op de inval in Libië, vandaag geventileerd op het forum van Die Welt, onbeantwoord.

De commentaren zijn gesloten.